Folosofisch tuinieren

Vandaag was ik aan het werk in mijn tuin. De afgelopen weken was er een vreemde kolonie plantjes in mijn tuin geland. Ondanks de bestrating hadden deze veelbladerige plantjes zich vastgeklonken tussen de stenen. Daarbij hadden verdacht uitziende zandhopen zich gevormd naast de honderden plantjes.

Al snoeiend, bukkend, dapper met handschoenen aan, begon ik de plantjes uit de grond te rukken. Vanachter het raam bezien viel het nog mee maar eenmaal met mijn neus erboven leken het er meer en meer te worden. In een onooglijke houding, gebukt en gebocheld als de gebochelde van de Notre Dame, zette ik mij zwetend, ahum transpirerend, aan mijn taak.

Mijn oudste zoon, die mij eerst opgewekt begon te helpen, haakte al snel af. Mijn jongste zoon had iets beters bedacht en besloot het geheel vanaf een stoel rustig gade te slaan.

Ik kwam er helaas te laat achter dat ik al wiedend in mijn tuin recht door een web met honderden pasgeboren spinnetjes banjerde… wat was dat toch met mij en spinnen?

Mijn haren vielen in pieken langs mijn ogen en mijn huid begon overal te kriebelen. Ik probeerde het gevoel te negeren, echter zowel het gevoel als de gedachten aan honderden achtpotige minilijfjes die over mijn lichaam heen kropen, benamen mij de adem.

Natuurlijk wil ik mijzelf niet al te ongemakkelijk afschilderen echter toen ik de helft van de tuin gedaan had begon ik te trillen…Nee hé, toch een boterham te weinig gegeten vanmiddag… Helaas voelde ik mij niet geroepen om dit karweitje af te breken voor de broodnodige voeding. Eerst moest ik die groene plaag mijn tuin uit zien te krijgen…

Mijn innerlijke stem poogde tussenbeide te komen. ‘Je wordt zo niet vrolijker, neem iets te eten en te drinken… Zorg voor jezelf…!’ ‘Tuinieren kan zo’n ontspannende bezigheid zijn… het is bijna meditatief wanneer je voelt hoe je lichaam contact maakt met de aarde….’

Blabla bla, kwam mijn duiveltje tussenbeide. Uitroeien die planten! Wat doen ze hier eigenlijk. TJAKKAAAAH.’

Ik besloot beide te negeren en zette kranig door. Ik spaarde her en der wat onkruid, gewoon omdat ik de bloemetjes mooi vond en ik ergens had gelezen dat wat onkruid helpt de andere tuinplanten gezond te houden.

Eenmaal over de helft van de tuin begon het mij te dagen (beter laat dan nooit nietwaar?). Die groene plantjes die kriskras als een plaag door mijn tuin gegroeid waren, waren niets minder dan de voedselvoorraden van hele koloniën mieren. Deze plantjes waren namelijk van tot top teen bedekt met kleine zwarte luizen… brrrr alsof ik nog niet genoeg jeuk had!

Met hernieuwd enthousiasme trok ik er nog zo’n vijftig plantjes uit… (tja mijn tuin was echt al een tijd niet onder handen genomen, ik geef het toe…)

En ja hoor, uit het niets overviel mij het ietwat onbestendige gevoel weer… Ik ‘steeg’ op en trad uit mijn lichaam. Ik keek van een afstand naar mijzelf. Een vrouw die met een kromme rug, in een jurkje, en roze handschoenen aan, op de eerste écht mooie dag in mei, honderden plantjes probeerde te vermoorden. Geen acht slaand op de duizenden mieren die in leven werden gehouden door deze plantjes en de vele luizen die erop leefden.
Ik zag mijn met aarde besmeurde gezicht, mijn piekende haren, mijn norse frons en mijn hevig van de suikerklop trillende handen…

Mijn gedachten voerden mij naar aparte filosofieën en verbanden…
Zou dit zijn waar iedereen maar over bleef praten? Zouden wij in 2012 ook ineens als door een gestoorde worden weggerukt uit ons leven. Zouden onze koeien als door orkanen de lucht in verdwijnen? Zouden wij in grote getale ineens uit het leven worden weggerukt?

Gezien mijn gebrek aan energie en voeding kon een dergelijke staat van zijn, vandaag niet lang aanblijven.
… met een ferme bons belandde ik enkele ogenblikken later weer in mijn lijf, dat zwaar, lomp, vies en vooral kriebelig aanvoelde. In mijn visioen had ik even mijn lichaam niet verroerd en in de tussentijd waren al die veelpotige kleine spinnetjes gezamenlijk mijn knieën aan het beklimmen.

Alsof mijn knieën een tweekoppige mount everist was, klommen zij in grote getale omhoog…
Ik slaakte een soort grom, kreet kan ik het niet meer noemen, en met een reusachtige veeg veegde ik in twee maal mijn beide benen schoon…

Ik keek nog een maal op en zag mijn zoon heel onschuldig naar mij kijken. (het beeld van zijn zwetende moeder, die met piekhaar, wankelend , wild met haar armen zwaaide, moest erg indrukwekkend zijn, hij staarde namelijk met grote verraste hemelsblauwe ogen naar mij) Ondertussen plukte hij heel lief wat aan een blaadje.
Zijn oogjes glommen als kraaltjes en een klein lichtend aureool scheen zijn hoofd te tooien… Onschuldig knipperde hij een paar keer…

‘Laat hem dan de engel maar zijn….’  Dacht ik grimmig… ‘Ik ben 2012…!’

En in mijn hoofd vierde mijn duiveltje feest: ‘HAHAHA  JAAAHHHHH WIJ ZIJN 2012!!! HAAAAHHAAHAHHA…Alles gaat neer… HAHA… DOOD aan de luizen!!!’

En hoewel mijn innerlijke stem mij hielp nog enkele boterbloemen te sparen, was het vandaag niet mijn hogere zelf die de overwinning behaalde…

Vele mieren moesten emigreren, naar streken waar nog wel voedsel was…En ik? Ik waste mijn handen enkele uren later in onschuld… sterker nog de douche waste mijn hele lijf in onschuld. Ik had mijn misdaden immers weggewerkt. De duizenden kleine luizenkadavers die mij aan mijn wandaad herinnerden, waren inmiddels geloosd in de groenbak…

Vandaag geen vergrootglas voor mij… en hoe ik mijzelf ook wijsmaak dat het ‘ok’ is om je tuin te onderhouden… Feit is dat ik mij bleef afvragen… was deze slachtpartij nu echt nodig? De natuur loste het toch prachtig op: Plantjes, luisjes, miertjes… iedereen happy… Zo vaak kwam ik toch ook niet in die tuin…

Een beetje sipjes draaide ik mij om naar de stofzuiger… ook dat moest nog gebeuren… Net voordat ik de stofzuigerslang beetpakte zag ik het web dat een van die kleine minispinnetjes had gemaakt gedurende mijn douche. Er was er een ontsnapt!

En alsof het web gemaakt was van kostbaar gouddraad, trilden mijn handen wederom, ik kon het webje niet kapot trekken!…
Twee gedachten verscheurden mij…’Ik moét stofzuigen… Maar die arme minispin!’ Zijn huis… zijn broertjes en zusjes, alles weg… en hij is nog maar net begonnen… wat een trauma’s!

Een van de gedachten overwint.
Ik haalde diep adem, deed mijn ogen dicht en trok… Ik zag nog net vanuit mijn ooghoeken het spinnetje voor mijn ogen als in slow motion naar de grond afdalen. Als een ware heldin liet ik de stofzuiger slang vallen en boog ik snel voorover… mijn rug en het duiveltje protesteren gezamenlijk: ’NIET DOEN! HIJ KOMT TERUG ALS HIJ GROOT IS EN DAN WORDT JE BANG!!! HIJ GAAT JE BANG MAKEN ALS HIJ GROOT EN ENG IS!’

Mijn innerlijke stem spoorde mij aan…: ‘vergeet hen… laat je niet afleiden… Breng hem in veiligheid. Je wilt toch dat hij je vriend is…’ voorzichtig liet ik zijn lijfje aan een draadje aan mijn vinger hangen…

Eenmaal buiten keek ik de tuin rond op zoek naar een geschikt plekje… Nee niet bij de groenbak! In gedachten hoorde ik duizenden krijsende stemmetjes schreeuwen: ‘móóord!’
Dat was te erg… snel draaide ik mijzelf de andere kant op…

Ik vond uiteindelijk een lief klein plantje waar ik hem op liet neerkomen… ‘Maak hier maar een mooi webje…!’ Zei ik troostend tegen hem…

Ik zucht. Blij met deze goede daad.

‘Zo dat is er één gered… nog drie miljoen te gaan…’ hoor ik mijn innerlijke stem zeggen. ‘karma, karma, karmaá…’